Ophrys apifera

F: Ophrys abeille
D: Bienen-ragwurtz

Syn.: Ophrys arachnites Miller
Ety.: Apifera komt uit het Latijn apis (bij) en fero (ik draag) en wijst op de vorm van de bloemen

Beschrijving: Plant 20-40 cm hoog. Bladen in een onduidelijk rozet, naar boven toe meer opstaand met één of twee stengelomvattende stengelbladen.  Bloeiwijze losbloemig (max. 14 bloemen). Schutbladeren zijn langer dan het vruchtbeginsel. Bij de onderste bloemen steken ze soms ver boven de bloemen uit. Sepalen roze, bleekroze tot purper, soms wit, langwerpig-eivormig met teruggerolde randen en groene middennerf.  Zijdelingse sepalen afstaand, soms evenwijdig aan het vruchtbeginsel. De middelste sepaal teruggeslagen of opstaand, met een naar voor gebogen top.   De petalen zijn klein en soms geoord, slechts 1/5 van de sepaal-lengte, driehoekig, behaard, groen of groengeel. De lip is drielobbig, sterk gewelfd met volledig naar achter geslagen randen (9-14mm lang). Het onderste deel van de middenlob is ook naar achter gebogen wat maakt dat ook het aanhangsel naar achter gericht is.  Kleur van de lip roodbruin tot donkerbruin.  De tekening is beperkt tot de basis van de lip. In het midden van de tekening bevindt zich een rood tot purper aangelopen vierkant met een gele rand waarlangs twee hoofdzakelijk gele banden zich naar het eindpunt van de lip uitstrekken. De zijbultjes zijn sterk ontwikkeld, van binnen geel of groen en duidelijk kaal.  De buitenzijde van de lip is sterk behaard.

Variabiliteit: zie onderaan.

Bloeitijd: eind mei tot juli.

Habitat: bij voorkeur op kalkgraslanden en het liefst op grazige plaatsen.  Komt vaak voor op verstoorde plaatsen (opgespoten terrein) waar ze optreedt als pioniersplant.  Heeft blijkbaar enige vorm van menselijke verstoring nodig.  Wordt soms aangetroffen onder open loofhout en in lichte naaldbossen.

Zeldzaamheid: zeldzaam maar algemener dan gedacht. Populaties kunnen soms omvangrijk worden om dan plots te verdwijnen.  Lijst A.

Gelijkende soorten: O. apifera lijkt op twee andere in het gebied voorkomende Ophrys-soorten: O. sphegodes (groene sepalen, geen of rudimentair aanhangsel aan de lip) en O. fuciflora (duidelijke, roze petalen, aanhangsel naar voor gericht).

Opmerkingen: Soort die hoofdzakelijk autogaam is alhoewel (twijfelachtige) observaties bestaan van bestuiving door een insect.  De polliniën zijn de eerste uren opgericht maar na een uur of drie-vier verslappen ze en zakken de polliniën op het stigma en wordt de bloem bevrucht door zelfbevruchting. In de herfst komen de nieuwe rozetjes boven waardoor ze in de winter, wanneer de overige graslandvegetatie laag is duidelijk opvallen.  Daardoor ook soms vorstschade aan de bladeren.

Bladrozet Ophrys apifera

Bladrozet, grijsgroen en gestreept

DSC_9130
ophrys apifera jac kleynen
foto Jac Kleynen

Variabiliteit binnen Ophrys apifera :

O. apifera vertoont een enorme variabiliteit, vooral te wijten aan de veelvuldige autogamie. Ook in België zijn verschillende van deze variëteiten te vinden. Een korte bespreking van de voornaamste vormen volgt hieronder. Het is belangrijk te noteren dat geen enkele van deze variëteiten een belangrijke taxonomische waarde hebben. Het is zelfs mogelijk aan één en dezelfde plant normale bloemen en afwijkingen te vinden. De reden voor deze rariteiten is nog niet gekend. Bodemchemie, droogte, concurrentie, soortvorming…. Allemaal mogelijke verklaringen.

1.aurita-type :
de zijdelingse sepalen zijn smal en lang. Ze hebben een groene kleur en een rechte vorm. Het lijkt alsof de bloem kleine horentjes draagt. In sommige gevallen krijgen de petalen de vorm van de bloembladachtig sepalen en evolueert de vorm naar het jurana- of botteronii-type.

2.flavescens-type :
de sepalen zijn (groenachtig) wit terwijl de petalen een groen uitzicht hebben en relatief small zijn. De kleur van de lip is groenachtig geel tot geelbruin. De zijlobben zijn meestal niet overmatig ontwikkeld.

3.botteronii-type :
bij dit type lijken de petalen op de sepalen, dat wil zeggen dat ze gevormd zijn zoals sepalen. Hierdoor krijgt de bloem een echte bloembladkrans rond zijn lip. De vorm van de lip kan veranderlijk zijn. De tekening is vaak gereduceerd.

4.trollii-type :
de lip wijkt sterk af van de typische apifera en vertoont duidelijke reductieverschijnselen. De goed ontwikkelde zijlobben zijn volledig vrij van de zeer lange en spits naar beneden verlengde middenlob. De zijden van de middenlob zijn naar achteren geplooid. Het hele uitzicht van de bloem is opvallend smal en lang.

5.bicolor-type : de bloem is herkenbaar aan de duidelijk tweekleurige lip. Het onderste deel is donkerbruin, de bovenhelft heeft een bleek bruine tot paarsachtig uitzicht, naar boven overgaand in het geelachtige basaalveld.

Wat variëteiten ...

Tekst : Bart Van de Vijver, video : Patrick Mannens, foto’s : Patrick Mannens, Bart Van de Vijver, Jean-Luc Roux & Patrick Denissen

Volgende maand : Anacamptis morio