Dactylorhiza fuchsii (Druce) Soo (1962)
Bosorchis
Frans : Orchis de Fuchs
Engels : Common spotted Orchid
Duits : Fuchs-knabenkraut
Synoniemen
- Orchis longibracteata F.W. Schmidt in 1791
- Orchis fuchsii Druce in 1914 (basioniem: op deze naam is alle latere naamgeving gebaseerd)
- Dactylorchis fuchsii (Druce) Vermeulen in 1947
- Dactylorhiza fuchsii var meyeri (Reichenbach fil.) Soó 1962
- Dactylorhiza maculata subsp. fuchsii (Druce) Hylander in 1966
- Dactylorhiza maculata (L.) Soó subsp. meyeri (Reichenbach fil.) Tournay in 1967
- Dactylorhiza meyeri (Reichenbach fil.) Averyanov in 1982
Zoals je kan zien is D. fuchsii lang als een ondersoort beschouwd van D. maculata. Toen bleek dat maculata en fuchsii niet beide diploïde waren, is de loskoppeling tot stand gekomen. En nadat duidelijk was geworden dat het taxon meyeri, dat werd beschreven als variëteit of ondersoort, hetzelfde taxon betrof als fuchsii, werd de naam meyeri als een synoniem geplaatst omdat fuchsii eerder was beschreven.
Etymologie
Toen Druce dit taxon beschreef in 1914, schreef hij dat zijn voorstel was om deze Orchis fuchsii te noemen, naar aanleiding van een illustratie uit het plantenboek van Leonard Fuchs die hij een goede weergave vond van deze plant. (De Historia Stirpium van Fuchs uit 1542 op blz. 703 met label “Satyrium Basilicum foemina”).
Beschrijving
De soorten van het genus Dactylorhiza bezitten vingervormige knollen (vandaar de oud-Nederlandse naam Handekenskruid). De bladeren zijn zeer vaak duidelijk gevlekt, slechts in hoge uitzondering zijn deze ongevlekt. De bovenste zijn schutbladachtig en zijn niet stengelomvattend. Aantal tussen 3 en 5 (bij de Handekenskruiden uit de majalis groep zijn het er 1 of 2). Deze schutbladachtige bladeren zijn vrij kort en smal en ze reiken niet tot aan de bloeiwijze. De onderste bladeren/het onderste blad zijn/is vrij breed en ovaal tot omgekeerd eirond of breed lancetvormig. Het eerste (soms is dit alleen maar een korte schede ter hoogte van de basis van de stengel) of tweede onderste blad bezit een stompe top en kan zelfs eirond zijn. (D. maculata heeft andere bladeren met een puntige top en een smalle elliptische vorm). Naar boven toe worden de bladeren dan meer lancetvormig. Ook de kleur van de onderkant van het blad is anders: glanzend grijsgroen met groene nerven tegenover mat grijsgroen bij D. maculata. De stengel is vol en niet samendrukbaar en dunner dan bij de leden van de majalis-groep (praetermissa, majalis, purpurella enz.)
De lip van de bloem is diep ingesneden en duidelijk drie-lobbig. In vele gevallen zijn de drie lobben van gelijke grootte, maar de vorm van de lip is zeer variabel wat de noodzaak met zich meebrengt om vele bloeiaren te bekijken en het niet te houden bij één voor een juiste determinatie. De bloemkleur en liptekening is ook erg variabel maar is steeds lichter gekleurd dan D. praetermissa of D. majalis. Vaak gaat het om crèmekleurig wit, zachtroze of zalmroze. De liptekening is donkerder (donkerrood/paars/purper/mauve/lila) en bestaat uit lijntjes, stipjes, lusjes of boogjes. De bloem heeft een dun spoor dat ongeveer even lang is als het vruchtbeginsel en bezit geen nectar. Bestuiving gebeurt voornamelijk door bijen en hommels die worden aangetrokken door het honingmerk op de lip. De schutbladen, die zich aan de basis van elk bloemsteeltje bevinden, zijn lang waardoor ze duidelijk zichtbaar zijn, zeker als de bloemen nog in knop staan en de bloeiwijze de kenmerkende pyramidevorm bezit.
Variabiliteit
Over het ganse verspreidingsgebied gezien is de bosorchis uiterst variabel. De planten van de Alpen zijn vaak beïnvloed door D. majalis en in sommige streken van Europa komen tetraploïde populaties voort (D. fuchsii is normaal diploïde 2n=40). In het hoge noorden lijken de planten soms erg op de maculata planten van bij ons die op schrale bodems voorkomen. De bloemkleur en de vorm van de lip is ook erg variabel. Sommige planten zijn erg donker gekleurd of zeer licht en de middenlob is vaak niet zo duidelijk ingesneden als men vermeldt. Er zijn zowel grote, forse exemplaren als spichtige, gedrongen planten. Dit heeft vaak te maken met de voedselrijkdom van de bodem.
Bloeitijd
In West-Europa ligt de hoofdbloeitijd in de maand juni. Het rijpen van de zaden kan doorgaan tot in september. In de bergen, in het oosten en in het hoge noorden bloeit D. fuchsii tot drie weken later. Bladrozetten komen eind april/begin mei boven de grond, afhankelijk van de weersomstandigheden.
Habitat
Vochtige, open bossen, randen van vochtige duinpannen, mesofiele en natte graslanden op basisch tot neutraal substraat (klei, leem, kalkrijke zanden, verstoorde bodems). D. fuchsii heeft meer nood aan halfschaduw, dit in tegenstelling tot D. maculata die liever op open, zonnige plaatsen groeit op een zuurdere bodem.
Verspreiding
Het leefgebied van D. fuchsii is erg groot en loopt ver door tot in Rusland, tot aan het Baikalmeer. In Europa komt ze voor in de meeste landen met uitzondering van Portugal, (centraal en zuidelijk) Italië, Griekenland en Finland.
In het mediterrane gebied wordt de plaats ingenomen door D. saccifera (Italië – Griekenland) .
Gelijkende soorten
Deze soort hybridiseert gemakkelijk met andere Handekenskruiden. Sommige van deze kruisingen vormen levensvatbare nakomelingen en andere niet of nauwelijks. De reden is dat een groot deel van de andere taxa binnen dit genus tetraploïde zijn en kruisingen met D. fuchsii triploïde, waardoor ze steriel zijn. Daarnaast mogen we niet vergeten dat polyploïdie vaak voorkomt en hybriden ook hexaploïde of pentaploïde organismen kunnen zijn, wat effect kan hebben op hun uiterlijk en evt. ook op hun vruchtbaarheid.
Dactylorhiza fuchsii (2n=40) x D. incarnata (2n=40)
= Dactylorhiza ×kerneriorum
Dactylorhiza fuchsii (2n=40) x D. majalis (2n=80)
= Dactylorhiza ×braunii
Dactylorhiza fuchsii (2n=40) x D. praetermissa (2n=80)
= Dactylorhiza ×grandis
Dactylorhiza fuchsii (2n=40) x D. maculata (2n=80)
= Dactylorhiza ×transiens
Daarnaast zijn er nog een aantal taxa beschreven als ondersoort of variëteit, ja zelfs als aparte soort (naargelang de auteur) van D. fuchsii:
- Var. hebridensis
westkust van de Britse eilanden (Skye, buiten Hebriden en Zuid-Ierland) - Var. okellyi
Schotse westkust (Firth of Lorne, Isle of Man) en Ierland en Noord-Ierland. Genoemd naar de Ierse botanicus O’Kelly, die dit taxon voor het eerst opmerkte en verzamelde. - Var. psychrophila
Komt voor in een verbrokkeld areaal in Lapland en Siberië. De naam betekent “liefhebber van koude”. - Var. punicea (synoniem andoeyana)
Komt enkel voort op Lofoten en Vesterålen in Noorwegen.
Opmerkingen
Er worden ook heel af en toe intergenerische hybriden waargenomen. Zo is in België de hybride met Gymnadenia conopsea gevonden in Berg-Kampenhout.
Bronnen:
Cole Sean & Waller Mike, 2020 :Britain’s Orchids – a Field Guide to the Orchids of Great Britain and Ireland. Princeton University Press, Princeton. 288p.
Eccarius W.,2016 : Die Orchideengattung Dactylorhiza – Phylogenie, Taxonomie, Morphologie, Biologie, Verbreitung, Ökologie und Hybridisation. Selbstverlag, Eisenach. 640 p.
Kreutz C.A.J., 2004: Kompendium der Europäischen Orchideen – Catalogue of European Orchids. Kreutz Publishers, Landgraaf. 239 p.
Verloove Filip, Van Rossum Fabienne et.al., 2023: Flora van België, het Groothertogdom Luxemburg, Noord-Frankrijk en de aangrenzende gebieden. (Pteridofyten en Spermatofyten) 4e druk. Plantentuin Meise. 988p.
Tekst : Walter Van den Bussche. video : Patrick Mannens, foto’s : Hedwig Hofmans, Patrick Mannens, Frankie Wulleman, Jos Eykens, Philip Robinet, Patrick Denissen, Walter Van den Bussche, Daniel Gheyselinck. Met dank aan de vele fotografen die ons beeldmateriaal bezorgden van deze soort.
Volgende maand :
Ponerorchis cucullata
Alle foto’s zijn welkom. Stuur ze naar secretariaat@semo.vlaanderen.
Alvast bedankt.
