Gennaria diphylla Parlatore 1860
Tweebladige orchis (ook Tweehartenorchis)
Frans : Gennarie à deux feuilles
Engels : Two-leaved gennaria Orchid
Duits :Grünständel
Etymologie : Het genus Gennaria is genoemd naar de Sardijnse plantkundige Patrizio Gennari (1820–1897). De soortnaam diphylla (di– = twee, phyllos = blad) verwijst dan weer naar de twee tegenoverstaande bladeren die onder aan de stengel hangen.
Beschrijving: Gennaria diphylla is een knolvormige orchidee die ongeveer 10-45 cm hoog wordt. De stengel is rechtopstaand, slank, cilindrisch en glad, en varieert van lichtgroen tot geelgroen. De soort is gemakkelijk te herkennen aan de aanwezigheid van twee goed ontwikkelde, gaafrandige, onbehaarde stengelbladeren in de onderste helft van de stengel. Het onderste blad is groter, breed eivormig tot eivormig-hartvormig, typisch 4–10 cm lang, met een duidelijk hartvormige basis die de stengel gedeeltelijk omvat. Het bovenste blad is qua vorm vergelijkbaar, maar kleiner, en staat tegenover of bijna tegenover het onderste blad.
De bloeiwijze is een eindstandige, dichte tot matig losse tros van 5 tot 15 cm lang, met, meestal 15–60 bloemen. De schutbladen zijn lancetvormig, vliezig en over het algemeen korter dan of even lang als het vruchtbeginsel.
De bloemen zijn klein, 6–10 mm in doorsnee, groengeel tot geelgroen van kleur, soms met subtiele bruin- of olijftinten. De bloemen zijn naar achteren gebogen en hangen lichtjes naar beneden. De sepalen vormen samen een losse kap (de zogenaamde galea) boven het gynostemium. De petalen zijn eivormig-lancetvormig en spits, terwijl de sepalen iets smaller en korter zijn. Het lip is opvallend drielobbig en dient als het belangrijkste diagnostische bloemkenmerk. De zijlobben zijn afgerond tot driehoekig, terwijl de middelste lob langwerpig is en vaak licht gespleten of ingekeept aan de top. Aan de basis van de lip ontspringt een korte, cilindrische tot kegelvormige nectardragende spoor, doorgaans 1–3 mm lang. De bloemkolom is kort en stevig en bevat twee wasachtige pollinia die aan een viscidium vastzitten. Het vruchtbeginsel is onderstandig, slank, gedraaid en glad, met een lengte van ongeveer 5–10 mm.
Determinerende kenmerken: Gennaria diphylla wordt morfologisch gekenmerkt door een paar opvallende hartvormige stengelbladeren, een slanke groeiwijze, een dichte tros van talrijke groenachtig-gele bloemen, een drielobbig, spoorvormige lip en een aanpassing aan schaduwrijke mediterrane en Macaronesische bosbiotopen.
Verspreiding: Deze soort komt voor in het gehele westelijke Middellandse Zeegebied, waaronder Portugal, Spanje, de Balearen, Sardinië, Marokko, Algerije, Tunesië, Madeira en de Canarische Eilanden.
Leefwijze: Het is een knolgewas dat in het najaar ontkiemt en in de lente bloeit.
Habitat: Gennaria diphylla geeft de voorkeur aan matig schaduwrijke habitats op zure tot licht alkalische substraten, van zeeniveau tot een hoogte van ongeveer 1000 meter. Hij groeit vooral in lichte bossen, tussen rotsen en spleten, op vochtige maar goed gedraineerde bodems, vaak in Laurierbossen of Dennenbossen.
Geur: De bloemen verspreiden een zoete, lichte geur die met name ’s avonds en ’s nachts sterker wordt.
Bestuivingsbiologie: Omdat de bloemen groenachtig van kleur zijn en daardoor overdag nauwelijks opvallen in de schaduwrijke bossen, vertrouwt de plant volledig op zijn geur om bestuivers over grotere afstand aan te trekken. De chemische samenstelling van deze parfumachtige geur bestaat voornamelijk uit terpenen en zogenaamde seringenalcoholen (lilac alcohols), wat voor een zoete nachtelijke geur zorgt. Daarmee probeert de plant nachtactieve motten en nachtvlinders aan te lokken. Vooral spanners (Geometridae) en lichtmotten (Pyralidae en Crambidae) bezoeken de plant.
Bovendien produceert de bloem een kleine hoeveelheid échte, suikerrijke nectar in de korte, ronde zakvormige spoor om deze insecten te belonen. Omdat deze spoor kort en breed is, hoeven de bestuivers geen extreem lange roltong te hebben. Dit maakt de bloem aantrekkelijk voor een bredere groep insecten.
Als er door het vroege voorjaar of slecht weer helemaal geen nachtvlinders vliegen, heeft Gennaria diphylla een feilloos reservesysteem. De bloem is anatomisch zo gebouwd dat de pollenpakketjes door de zwaartekracht of lichte trillingen gemakkelijk loslaten en direct op de eigen stempel daaronder vallen.
Dankzij deze combinatie van nachtvlinderbestuiving én gegarandeerde zelfbestuiving kan de plant in zijn schaduwrijke, vroege leefomgeving effectief overleven.
Tekst : Bart Van de Vijver en Patrick Mannens. video : Patrick Mannens, foto’s : An De Wilde, Bart Vercruysse, Martin Jansen, Walter Van den Bussche, Bart Van de Vijver, Liesbeth van den Haak. Met dank aan de vele fotografen die ons beeldmateriaal bezorgden van deze soort.
Volgende maand :
Gymnadenia corneliana
Alle foto’s zijn welkom. Stuur ze naar secretariaat@semo.vlaanderen.
Alvast bedankt.
