Tijdens de voorbereiding van het jubileum weekend van SEMO in het departement Aveyron gebruikte ik o.a. het boek “A la découverte des Orchidées en Languedoc et Pays Catalan”. Ik las dat er op zo’n 110 km van Millau een gebied was waar Dactylorhiza occitanica was beschreven en dat ze daar nog steeds voorkomt. Omdat ik dit taxon niet kende, was mijn plan om na het weekend naar deze orchidee te gaan zoeken.
In het boek vond ik heel wat nuttige maar algemene informatie, zodat het waarschijnlijk wel wat tijd zou kosten om D. occitanica te vinden. Maar een artikel dat ik vond op de ResearchGate website vermeldde wel een locatie die als startplaats kon dienen.
Deze orchidee is de enige Dactylorhiza die in dit deel van Frankrijk voorkomt in dat soort biotoop: een vochtige, kalkrijke depressie (het zogenoemde bassin van Londres aan de noordkant van de Pic Saint-Loup) waarin knopbies Schoenus nigricans veelvuldig voorkomt. Er zijn nog andere groeiplaatsen bekend in kalkmoerassen en vochtige hooilanden uit de departementen Hérault, Gard en Ardeche. Al bij al is dit een taxon met een klein en verbrokkeld verspreidingsgebied.
De eerste terreinen die ik doorkruiste zorgde al voor een aantal orchideeën, zoals hondskruid Anacamptis pyramidalis, snippenorchis Ophrys scolopax, bijenorchis Ophrys apifera, grote muggenorchis Gymnadenia conopsea, bokkenorchis Himantoglossum hircinum, ijle moerasorchis Anacamptis laxiflora en de lange tongorchis Serapias vomeracea. Ook andere planten zoals knopbies S. nigricans, Spaanse ruiter Cirsium dissectum, blauwe bieslelie Aphyllanthes monspeliensis, jeneverbes Juniperus communis, hauwklaver Lotus maritima, blauwe zegge Carex panicea en Pyreneese brem Genista scorpius groeiden daar. De eigenaar van deze terreinen was erg achterdochtig en kwam vragen wat ik daar op zijn grond deed. Toen hij hoorde dat ik orchideeën zocht maakte hij geen bezwaar dat ik daar rond struinde. Maar na een uur was hij daar weer en vroeg me waarom ik een verrekijker bij me had, iets dat je niet nodig hebt om naar orchideeën te kijken… Ik ben toen 500 meter opgeschoven en daar zat ik wel goed want ik werd niet meer lastig gevallen en vond na wat zoeken een 40-tal bloeiende exemplaren van D. occitanica.
Deze planten deden me een beetje denken aan Dactylorhiza elata subsp. brennensis, die ik al enkele malen had kunnen observeren in de Brenne in kalkrijke galigaan- moerassen. D. occitanica wordt door sommige auteurs ook onder elata gerangschikt, weliswaar onder verschillende niveaus:
• Dactylorhiza elata (POIRET) subsp. ambigua (MATRIN-DONOS) KREUTZ
• Dactylorhiza elata (POIRET) var. occitanica (GENIEZ & al.) P. DELFORGE
Deze planten kon ik ook vergelijken met D. elata omdat we dit taxon tijdens het jubileumweekend op verschillende plaatsen had gezien bij kalktuffen en afwateringsgreppels langs wegen. Het gaat bij alle taxa om redelijk uit de kluiten
gewassen handekenskruiden die niet gauw met een andere soort kunnen worden verward. Ook de bloem en spoor is groot.
Dactylorhiza occitanica bassin de Londres 28 mei 2026
De gemiddelde hoogte van de planten bedroeg 45 cm. De ongevlekte bladeren zijn qua vorm en stijfheid te vergelijken met D. incarnata, maar dan korter. De stengel is hol en er is geen of één schutbladachtig blad aanwezig. De bloeiwijze is kort in verhouding met de totale grootte van de plant en de bloemen zijn licht roze van kleur met een eenvoudige liptekening van lusjes en vlekjes die vooral in het centrale deel van de lip te vinden is. De zijlobben zijn veel uitgebreider dan de middenlob, die bescheiden is en niet zo ver uit steekt. Er is een dik en lang spoor aanwezig, dat langer is dan het vruchtbeginsel. De lip is vlak bij pas ontloken bloemen maar plooit daarna vrij snel longitudinaal. De zijdelingse sepalen zijn opgericht en lijken op 2 kleine vleugeltjes. De petalen vormen samen met de middelste sepaal een helm die over het zuiltje is gebogen. De lippen zijn groot en gemiddeld 13 mm lang en 9 mm breed. De zijlobben hebben vaak een gezaagde rand.
In vergelijking met de D. elata subsp. elata is de bloeiwijze smaller, de spoor langer en de lip sterker samengevouwen. (ECCARIUS 2016)
Het biotoop waarin ik Dactylorhiza occitanica vond
Het terrein waarin ik D. occitanica vond staat ’s winters onder water en valt droog in het voorjaar. Bij hevige regenval lopen de laagste delen onder water en bepaalde wegen in die streek zijn voorzien van slagbomen met waarschuwingen dat je hier niet meer door kan. Op het ogenblik dat ik er was, waren alle wegen toegankelijk en waren de slagbomen open.
Uitzicht over het gebied waar D. occitanica werd gevonden
Portret van D. occitanica
Portret van D. elata subsp. elata (boven) en D. elata subsp. brennensis (onder)
D. elata heeft in Frankrijk een verbrokkeld areaal en kent vele ondersoorten. Het centrum van het verspreidingsgebied is Spanje. De beschrijving is afkomstig van planten uit Marokko (Barbarije). Eccarius (2016) benoemt de volgende ondersoorten:
• Dactylorhiza elata (POIRET) SOÓ subsp. elata Frankrijk, Corsica, Maghreb, Sicilië
• Dactylorhiza elata (POIRET) Soó subsp. ambigua (MATRIN-DONOS) KREUTZ Frankrijk
• Dactylorhiza elata (POIRET) Soó subsp. atlantica (KREUTZ & VLACIHA) ECCARIUS Marokko Atlasgebergte
• Dactylorhiza elata (POIRET) Soó subsp. brennensis E. NELSON Brenne
• Dactylorhiza elata (POIRET) Soó subsp. sesquipedalis (WILLDENOW) SOÓ Spanje, Portugal, Marokko
Samen voorkomend met D. occitanica: S. vomeracea en G. conopsea
Samen voorkomend met D. occitanica: O. scolopax
In dit gebied leeft ook de duinpieper Anthus campestris
Literatuur :
Buscail R., Dabonneville F., Lewin J.-M. & Nicole M., 2019: A la découverte des Orchidées en Languedoc et Pays Catalan. Biotope, Mèze. 368 p.
Delforge P., 2011 : Le Dactylorhiza d’Occitanie : statut et nomenclature. Les Naturalistes Belges, 92 (Orchid. 24) :14-24
Eccarius W.,2016 : Die Orchideengattung Dactylorhiza – Phylogenie, Taxonomie, Morphologie, Biologie, Verbreitung, Ökologie und Hybridisation. Selbstverlag, Eisenach. 640 p.
Geniez P., Melki F., Pain T. & Soca R., 1995: Une nouvelle Orchidée du sud de la France: Dactylorhiza occitanica sp. nov. L’Orchidophile nr. 115:18-27.
