Gymnadenia corneliana  (Beauverd) Teppner & E.Klein  1998


Roze vanilleorchis

Frans : Nigritelle de Cornelia, Nigritelle rose of Gymnadénie de Cornelia.

Engels : Cornelia’s Vanilla Orchid (of Cornelia’s Gymnadenia)

Duits : Cornelias Kohlröschen

Etymologie

De soort is genoemd naar de Zwitserse plantkundige Cornelia Rudio die de plant op 26 juni 1925 ontdekte in de buurt van de Col de Lautaret, in het Franse Département Hautes-Alpes. Een collega-botanicus, Gustave Beauverd, beschreef de plant een jaar later en noemde de plant naar haar. 

Beschrijving  

Gemiddeld grote, overblijvende plant, 10–35(–40) cm hoog, met rechtopstaande, cilindrische, groen tot licht roodachtig aangelopen stengel. Drie tot zeven bladeren, verspreid langs het onderste en middelste deel van de stengel. Onderste bladeren lancetvormig tot smal elliptisch, 5–12 cm lang en 1–2 cm breed, spits toelopend, gaafrandig, donkergroen tot blauwgroen, glanzend. Bovenste bladeren geleidelijk kleiner, schutbladachtig. Bloeiwijze is een eindstandige, aanvankelijk eivormige tot bolvormige, later kort cilindrische aar, 1,5–5 cm lang. Aar dichtbloemig, bestaande uit 15–60 bloemen. Schutbladen lijn-lancetvormig, korter dan tot ongeveer even lang als het vruchtbeginsel.

Bloemen klein, helder roze tot rozerood. Bloemkleur wordt lichter bij het ouder worden van de bloeiaar. Net als de andere vanilleorchissen verspreidt deze bloem een opvallend sterke en aangename vanillegeur. Petalen en middelste sepaal vormen een kleine helm die over het zuiltje gebogen is. Zijdelingse sepalen schuin afstaand. Lip drielobbig, circa 4–6 mm lang, met vrijwel gelijke, stompe tot afgeronde zij- en middenlobben. Bovenzijde lip fijn papillair. Spoor slank cilindrisch, licht neerwaarts gebogen, ongeveer even lang als tot iets langer dan het vruchtbeginsel (ca. 5–9 mm), gevuld met nectar. Zuiltje kort en stevig; helmhokken dicht bijeen. Twee polliniën elk voorzien van een vrij liggend viscidium zonder bursicula, kenmerkend voor het geslacht Gymnadenia. Rostellum goed ontwikkeld.

Verspreiding

Het is een endemische soort van de zuidwestelijke Alpen. De plant komt voornamelijk voor in Zuidoost-Frankrijk en West-Italië. De meest noordelijke vindplaats is de Col du Mont Cenis, de zuidelijkste plek is Fort des Mille Fourches in de Almes Maritimes. Hij groeit op alpiene graslanden op hoogtes tussen de 2000 en 2500 meter. De soort heeft aan voorkeur voor zonnige, schrale graslanden en kalkrijke rotsbodems. 

Bloeitijd

Meestal van juni tot augustus, afhankelijk van de hoogte en locatie. 

Variabiliteit

Hoewel de roze-rode vorm de standaard is, bestaan er twee zeldzame kleurvariaties: de zuiver witte vorm (f. vesubiana) en een uniform donkerrode vorm (f. bourneriasii). 

Bestuivers

Op dit moment zijn nog maar weinig bestuivers met zekerheid gekend: de honingbij (Apis mellifera) en een aantal dagvlinders zoals de herdersparelmoervlinder (Boloria pales), de bergluzernevlinder (Colias phicomone), en de veldparelmoervlinder (Melitaea cinxia). 

Gelijkende soorten

Op basis van de bloemkleur kan de soort van andere Gymnadenia (groep Nigritella) soorten meestal onderscheiden worden, al komen ook planten voor met een meer afwijkende donkerdere kleur voor: 

  • Gymnadenia corneliana: meestal helder roze, zalmroze tot karmijnroze; de bloeiwijze oogt vaak levendig roze. 
  • Gymnadenia rhellicani: donker purperrood tot zwartpaars of bijna zwart. 
  • Gymnadenia austriaca: meestal donkerroze tot purperroze, vaak intermediair van kleur.

 

Patrick Mannens & Bart Van de Vijver

Tekst : Bart Van de Vijver en Patrick Mannens. video : Patrick Mannens, foto’s :  Felix Baeten, Patrick Mannens, Bart Van de Vijver, Jos Eykens, Walter Van den Bussche, Christian Erzeel.

  Met dank aan de vele fotografen die ons beeldmateriaal bezorgden van deze soort.

Volgende maand :

Anacamptis laxiflora

Alle foto’s zijn welkom.  Stuur ze naar secretariaat@semo.vlaanderen.

Alvast bedankt.