Wat is Dactylorhiza sphagnicola en hoe herken je deze soort?
A. Determinatie volgens Gathoye & Tyteca Lejeunia Nr. 143 1994 Zie voor afbeeldingen uit Lejeunia bladzijde 2 in deze bundel
• Bladeren lijnvormig tot lijn/lancetvormig waarbij het 2e blad 7 tot 12 keer zo lang is als breed. De (grootste) breedte van dit 2e blad bedraagt tussen 1,25 en 1,5 cm. Bloeiwijze met meer dan 15 bloemen en totale plant kan zo’n 40 tot 45 cm hoog worden. De stengel onder de bloeiwijze heeft een diameter van meer dan 3,0 mm en aan de stengel bevinden er zich 5 tot 7 bladeren. Het spoor is cilindrisch van vorm en volgt de buiging van het vruchtbeginsel.
• Planten van natte, zure veenmoerassen (nvdr: en vaak samen voorkomend met veenmos Sphagnum spec., pijpenstrootje Molinia caerulea, beenbreek Narthecium ossifragum en veenpluis Eriophorum angustifolium. De kleur van de bloemen is bleek- tot donkerroze en draagt enkel vage puntjes als liptekening. De lip is onduidelijk driedelig waarbij de rand van de zijlobben gaafrandig is of licht gezaagd kan zijn. De lip wordt vlak uitgespreid in verse toestand.
Nvdr: Daardoor lijken de bloemen wel goed op die van de rietorchis terwijl de stijve, omhooggerichte bladeren dan weer wat weg hebben van vleeskleurige orchis.
B. Determinatie volgens Verloove, Van Rossum et.al. uit de Flora van België 2023. Afbeeldingen uit de flora op de volgende bladzijde.
• Bladen ongevlekt, lijnvormig tot lancetvormig en min of meer afstaand, zelden tot de voet van de bloeiwijze reikend. Ze zijn vlak of gekield met grootste breedte zowat in het midden van het blad.
• Bloemen roze tot purperachtig. Randen van de kroonlip vlak (soms zelfs iets concaaf) en tijdens de bloei geleidelijk omlaagbuigend. De lip is vrijwel niet ingesneden tot licht 3-lobbig met dikwijls vaag afgetekende stipjes, soms vergezeld met wat streepjes. Plant van zure veenmoerassen.
C. Determinatie volgens Heukels’ Flora van Nederland 2020. Afbeeldingen uit deze flora op deze bladzijde.
• Grootste stengelblad (6-)7 – 14x zo lang als breed. Bladen stijf rechtopstaand, 1 – 3 cm breed en ongevlekt. Lip met fijne donkerroze puntjes, soms ook met streepjes. Totale hoogte 30 tot 40 cm (60 cm). Bloeit mei – juni, in hoogveen
Wat is Dactylorhiza maculata subsp. elodes en hoe herken je deze soort?
Eerst enkele opmerkingen:
• Dactylorhiza maculata subsp. maculata werd destijds beschreven van Zweden door Linnaeus in 1753 als Orchis maculata.
• Dactylorhiza maculata subsp. elodes werd destijds beschreven van het Bourtangermoor (nvdr: groot laagveengebied dat zich destijds uitstrekte op Duits/Nederlands grondgebied in de omgeving van Emmen provincie Drenthe) door Grisebach in 1845 als Orchis elodes.
• Dactylorhiza maculata subsp. ericetorum werd destijds beschreven in Groot-Brittannië door Linton in 1900 als Orchis maculata subsp. ericetorum.
• In de Nederlandse Flora Heukels’ 2020 wordt er geen onderscheid gemaakt tussen maculata – ericetorum – elodes.
Daarom zullen we hier gegevens van Vermeulen gebruiken
• Er zijn ook auteurs die deze taxa allemaal als aparte soorten beschouwen.
• Vroegere excursies van S.E.M.O. in het Brugse Houtland en de Kempen hebben angetoond dat de ondersoort ericetorum in Vlaanderen niet kan worden onderscheiden.
A. Determinatie volgens Gathoye & Tyteca Lejeunia Nr. 143 1994 Afbeeldingen uit Lejeunia: zie bladzijde 6
a) Lip zeer diep ingesneden en dus duidelijk drielobbig, waarbij de middenlob nagenoeg even breed is als de zijlobben. Liptekening bestaande uit streepjes en lijntjes die vooral in het centrum vaker voorkomen dan aan de zijkant. Spoor min of meer recht, min of meer horizontaal. Onderste bladeren met stompe bladtop : D fuchsii.
b) Lip veel minder diep ingesneden tot zelfs zeer oppervlakkig. De middenlob dikwijls veel smaller dan de zijlobben. Liptekening bestaande uit punten, streepjes en/of lijntjes die gelijkmatig over de oppervlakte van de lip zijn verspreid. Onderste bladeren vaak met een puntige bladtop aggregaat : D maculata.
1. Bladeren min of meer uitgespreid. De onderste elliptisch tot lancetvormig. Het 2e blad 3,5 tot 9 maal zo lang als breed. Bladbreedte tussen 1,6 en 3 cm. Planten min of meer robuust : subsp. maculata
2. Bladeren eerder rechtopstaand, soms zelfs evenwijdig met de stengel lopend. Onderste bladeren lancet- tot lijnvormig. Het 2e blad 8 tot 16 maal langer dan breed. Bladbreedte tussen 1 en 1,6 cm. Planten eerder slank.
a. Plant min of meer stijf rechtopstaand. De buitenste sepalen ook min of meer opgericht. Lip slechts zwak ingesneden met een middenlob die veel kleiner is en vaak ook korter dan de zijlobben. Spoor kort: 66 tot 90% van de lengte van het vruchtbeginsel en erg dun, met een diameter tussen 1 en 1,2 mm Plant van veengebieden : subsp. elodes
b. Onderste bladeren min of meer uitgespreid. Zijdelingse sepalen vaak naar voor gebogen. Lip niet zo diep ingesneden met een kleine middenlob die vaak net iets langer is dan de zijlobben. Spoor nagenoeg even lang als het vruchtbeginsel en dun met een diameter tussen 1,3 en 1,9 mm. Plant van de vochtige heide en veengebieden in de buurt van de zee : subsp. ericetorum
B. Determinatie volgens Flora van België 4e druk 2023 Afbeeldingen uit de Flora op blz. 7
• Kroonlip ondiep 3-lobbig, middelste lob vrij kort en aanmerkelijk smaller dan de zijlobben. Onderste blad elliptisch tot lancetvormig, met de grootste breedte meestal nabij of onder het midden van de bladschijf. Bladonderzijde mat grijsgroen. Plant van zure milieus : Dactylorhiza maculata
Zeer variabele soort. In het gebied van de Flora kunnen drie ondersoorten worden onderscheiden, verbonden door tussenvormen:
a. Bladen min of meer uitstaand, de meeste langwerpigelliptisch, de onderste 3,5 – 9x zo lang als breed, 1,6 tot 3 cm breed. Plant vrij fors, (25-)30-50(-60) cm hoog. Middenlob van de kroonlip iets korter dan de zijlobben of ongeveer even lang. Maximale dikte van de spoor meestal meer dan 1,2 mm : subspecies maculata
Bladen afstaand of omhoog gericht, de meeste lancetvormig tot lijn-lancetvormig, de onderste (5-)7–16x zo lang als breed (0,9-1,6 cm breed). Planten eerder tenger, (15-)20-40 cm hoog. b
b. Bladen omhoog gericht, vaak nagenoeg evenwijdig met de stengel. Middenlob van de kroonlip veel smaller en meestal korter dan de zijlobben. Spoor korter dan het vruchtbeginsel, maximale dikte ervan niet meer dan 1,2 mm. Zijdelingse bloemdekbladen van de buitenste krans min of meer opgericht : subspecies elodes
Bladen min of meer afstaand. Middenlob van de kroonlip smaller, maar meestal langer dan de zijlobben. Spoor ongeveer even lang als het vruchtbeginsel met maximale dikte meestal meer dan 1,2 mm. Zijdelingse bloemdekbladen van de buitenste krans vaak naar voren gebogen : subspecies ericetorum
C. Volgens Flora Neerlandica 1958 (P Vermeulen) (afbeeldingen op blz. 8 en 9)
1) Spoor dun, draadvormig, zelden dikker dan 1,5 mm. Basis van de lip meestal wigvormig of afgeknot. Planten van vochtige terreinen, heiden en hoogvenen: subsp. elodes
a. Alle bladeren vrijwel gelijk van vorm, lijn-lancetvormig, meestal over een groot gedeelte even breed, rechtopstaand, soms de onderste bladen boven het midden breder. Aar kort kegelvormig, later kort cilindrisch : var. elodes
Komt voor in Nederland langs heidevennen, langs turfgaten op hoogveen, in levend hoogveen (d.w.z. in hoogveenregeneratiecomplexen). Ericetum tetralicis, sphagnetosum, Sphagnetum medii et rubelli, Sphagnetum papillosi, Rhynchosporetum albae. Resten van het Bourtangerveen, Lheeër zand, Overasselt, Doetinchem, Gennep, Terschelling. Voorkomen buiten Nederland: WestEuropa in hoogveen en heidevelden
b. De onderste bladeren anders van vorm dan de hoger geplaatste. In het midden, zelden daarboven, het breedst, duidelijk gekield en soms met de toppen omlaag gebogen. Aar lang kegelvormig, tenslotte langwerpig : var. ericetorum
In vochtige heiden, grazige bermen, langs greppels en sloten, in duinvalleien en duinheiden in het Waddendistrict; dit alles op zure zand- en veengrond met ruwe humus en periodiek schommelende, ’s winters hoge grondwaterstand.
Ericetorum oçrchidetosum, Empetro-Ericetorum, CallunetoGenistetum orchidetosum, Nardo-Galion saxatilis.
2) Spoor dikker dan 1,5 mm, zelden dikker dan 3 mm. Basis van de lip bij de spoor vaak zeer breed, afgeknot, minder vaak wigvormig. Planten van blauwgraslanden en andere schrale terreinen : subsp. maculata
Vermeulen onderscheidt dus de ondersoort maculata en de ondersoort elodes, die op haar beurt uit de variëteit elodes en de variëteit ericetorum bestaat. Hij doet dit o.a. omdat een aantal Engelse auteurs zoals Godfery en Heslop Harrison aantonen dat de Britse ericetorum van Linton en de Duitse elodes van Grisebach synoniemen zijn van elkaar.
Volgens Orchideeën in Noord-Nederland (Hans Dekker) 2016
Walter Van den Bussche
